De papa van Jantje heeft drie zoontjes: Kwik, Kwek en … – Jantje!
— Jean
Het is wit, licht, vierkant en zo groot als een ping-pong balletje. – Een ping-pong blokje.
— Jean
“Een man hoort op straat toevallig hoe een stotteraar een jongentje de weg vraagt. “K ku ku kun j j jij m m me de w w we weg n n naar h het sta sta stat station ve vertellen?”. Het jochie kijkt met grote ogen en rent dan weg. De man op zijn beurt wijst de stotteraar de weg. Even later ziet hij het knulletje bij een speelgoedwinkel staan. “Dat was helemaal niet netjes van je om weg te lopen. Je kunt zo’n man best gewoon de weg wijzen”, zegt hij tegen de knaap. “J J ja”, stamelt de kleine, “en d d da dan een k k knal v voor mijn k k kop k kr krijgen om omdat i ik h hem n n na nadoe z zeker!”
— Jean
Twee gekken zijn uit het gesticht ontslagen. Ze leggen hun geld bij elkaar. De één heeft een knaak en de ander een vijfje. “We kopen een auto”, beslissen ze. Ze komen bij een autosloop en lopen naar de baas. “We willen een auto kopen”, zeggen ze. “Hoeveel hadden jullie gedacht uit te geven?”. “Nou we hebben samen 7 gulden 50”. De baas begint te lachen: “Daarvoor kun je een spatbord en een stuur uitzoeken”. Ze kijken elkaar eens aan en sluiten de koop. Terwijl ze “broem broem” roepen gaan ze midden over straat. De een met het spatbord stevig onder de arm, de ander met het stuur voor zich uit. Een agent houdt hen tegen, bekijkt ze eens goed en meent: “Volgens mij zit er bij jullie duidelijk een schroefje los”. “Zie je nou wel”, moppert één van de twee, “Je hebt zo’n auto nog geen half uur en dan beginnen de reparaties al.”
— Jean
Wat is het verschil tussen een vlieg en een mug? – Een vlieg kan wel vliegen, maar een mug kan niet muggen.
— Melissa Altenburg
Er zitten twee Belgen in een bar. Eentje staart uit het raam. “Waar kijk je zo naar?”, vraagt de ander. “Ze hebben net je auto gestolen”, zegt de ene, “maar maak je niet ongerust, ik heb het kenteken genoteerd”.
De onderwijzer probeert de kinderen het begrip “wonder” uit te leggen. “Stel je voor, Jantje, dat iemand van een hoge toren valt en helemaal niets gebroken heeft”, zegt hij, “Hoe noem je zoiets?”. “Toeval”, antwoordt Jantje. “Je begrijpt me verkeerd”, zegt de onderwijzer, “Stel je voor dat die man nog eens van die toren valt en weer niet gewond is. Wat is dat dan?”. “Puur geluk”, antwoordt Jantje. De onderwijzer krijgt het al een beetje op zijn heupen: “Nee, dat bedoel ik niet. Stel je voor dat hij een derde keer van die toren valt en er weer zonder kleerscheuren vanaf komt. Wat is dat?”. “Gewoonte!”
Een handelsreiziger klopt aan bij een groot huis om te vragen of hij daar misschien de nacht kan doorbrengen. Dat is geen probleem, hij moet dan wel in hetzelfde bed als het zoontje van de familie des huizes slapen. Eenmaal op de kamer ziet de man dat het jongetje naast zijn bed neerknielt. De man denkt: “Ik zal maar respect tonen, en hetzelfde doen. ” Dus gaat hij ook knielen, vouwt zijn handen en begint te bidden. Dan vraagt het jongetje: “Wat ben jij nu aan het doen?” “Hetzelfde als jij, natuurlijk”, zegt de man. Zegt het jongetje weer: “Dan zal mama wel boos worden, want de piespot staat aan deze kant!”